begin missie naamgevers Calvijn500Jaar forum contact  
 
 
 
Forum          
 
 

Jezus had een boodschap voor ons.

Of we Jezus nou beschouwen als God die zich manifesteerde in de vorm van een mens om allen die in hem geloven te verlossen, of als een legendarisch figuur ontsponnen aan de breinen van de bevlogenen van de commune van Essene aan de Dode Zee, of gewoon als een uitermate begaaf-de man van het volk die de arme drommels van de samenleving een hart onder de riem wilde steken, het doet er allemaal niet toe. Wat er toe doet is dat Jezus een boodschap had voor ons.

Gedurende een kleine tweeduizend jaren heeft niet de boodschap maar de fantastische boodschapper de gemoederen van zijn bewonderaars weten te boeien. De onschuldige Maria, het stalletje, het broodje waarmee hij een schare hongerigen verzadigde, het water dat in wijn veranderde, het kruis en als klapper op de vuurpeil, of moeten wij zeggen, als grand finale, het eerste gedeelte van zijn retourvlucht naar de hemel, het is nog steeds een onvoorstelbaar verhaal.

Het is te begrijpen dat de gelovigen hun verwachtingen gingen aanpassen toen Jezus na een paar eeuwen nog steeds niet terug was gekomen. Men ging nu stellen dat hij terug zou komen aan het “einde der tijden”, zoals Jezus trouwens zelf voorspeld had. In de vierde eeuw werd verder besloten, op het Concilie van Nicea, dat Jezus God en mens is, de Tweede Persoon van de goddelijke Drie-eenheid. Op het ogenblik dat dit idee als officiële leer van het rijk werd vastgelegd in de 6de eeuwse codex Justinianus, werd Jezus, samen met zijn boodschap van persoonlijke bevrijding, in een bovenaardse, voor het volk onbereikbare plaats, opgesloten. De persoonlijke bevrijding zou voortaan pas na de dood komen, gedurende het leven was het boodschap, op straffe van excommunicatie, de leer van de Kerk te volgen.

Gedurende de eerste jaren van de hervorming was er even hoop dat niet alleen de Bijbel, maar ook Jezus terug gegeven zou worden aan het volk. In ieder geval werd de discussie over het wezen van Jezus geduld. Luther had in zijn jonge jaren nog respect voor anders denkenden. “De ketters te verbranden gaat in tegen de wil van de Heilige Geest”, schreef hij. Helaas hield Luthers tolerantie op eens dat hij gedwongen was zijn eigen kerk te bouwen. Op dat moment werd het protestantisme ook orthodoxie, dat zich pijnlijk manifesteerde tijdens de Boerenopstand en in de uitroeiing van de Wederdopers.

Ook Calvijn had in de eerste versies van zijn Institutie, religieuze tolerantie bepleit. In een passage van de eerste editie, die van 1536, schrijft Calvijn : “Het is misdadig de ketters te doden. Hen afmaken met vuur en zwaard is strijdig met alle beginselen van *menselijkheid.” Calvijn gaat echter verder, want het is niet slechts een principe van humanitaire aard dat ons gebied de ketters te dulden. Deze tolerantie wordt door de Bijbel zelf opgelegd : “Ik houd vast aan het punt dat dwang niet opgelegd moet worden aan de *gewetens in zaken waarvan zij door Christus bevrijd zijn geworden; alleen bevrijd kunnen zij rusten in God. … We zien hoe voorzichtig Paulus deze zaak behandelde, het niet aandurvend om mensen in enige zaak te dwingen [I Cor. 7:35]. En met rede! Hij heeft zeker voorzien wat voor een grote wond de gewetens toegebracht zouden worden als in deze zaken die de Heer vrij had gelaten, dwang opgelegd zou worden.”

Helaas was Calvijn ook niet bestand tegen de verleiding om zijn machtspositie te misbruiken om anders denkenden, zeker als ze intellectueel zijn meerdere waren, de mond te snoeren. Eerst moest de geleerde Castellio, een vroom en mensenlievend man, het ontgelden. Door Calvijns toedoen verloor hij zijn broodwinning en werd gedwongen Genève te verlaten. Vanwege zijn ideeën zou Calvijn hem blijven vervolgen en een vroege dood indrijven. De Spaanse theoloog en wetenschapper Miguel Servet stond een nog zwaardere beproeving te wachten. Eens aan Calvijn gesignaleerd in Genève liet deze hem arresteren en opsluiten. De spot waarmee Servet met Calvijns ideeën over de kinderdoop de draak had gestoken, van hem, de Wetgever van de Burcht van God, had Calvijns haat van de man aangewakkerd. Die vrolijke en godminnende vreemdeling zou hij een toontje lager laten zingen  Het “wilde beest” in hem, waar hij zelf beducht voor was, liet hij nu los om zijn prooi te vermorzelen. De bijbel werd aan de kant geschoven, wetten van Genève moesten wijken voor Oud-Romeins recht, Servets woorden werden vrijelijk door Calvijn verdraaid, een raadsman werd hem ontzegt en beroep af gewezen. De brandstapel was het antwoord aan de man die had gewaagd de goddelijke natuur van Christus ter discussie te stellen, en in plaats van Calvijns onverbiddelijke predestinatieleer opperde dat goede werken ook verlossing kunnen be-werkstelligen.

Al de stichtelijke woorden die hij gedurende jaren in het Latijns en het Frans vanaf de Zwitserse bergen over het Europese continent had laten rollen, al die mooie psalmen die dank zij hem door de kerkspiralen naar de hemel waren geklommen, al de hoop op verlossing en glorie aan de Heer, werden door Servets doodsschreeuw geloochend. Wij kunnen ons voorstellen dat alvorens zijn ziel aan Jezus, “Zoon van de eeuwige God” aan te bevelen, Servet nog gekreund kan hebben : “Vader, waarom heb je mij verlaten?”. In de vlammen van het vuur dat Servet op at, verloor de hervorming samen met haar diep religieuze en meest mystieke vertolker ook haar vrijheid en haar blijheid.

Na de coup de Dieu van Nicea en het duizendjarige christelijke monopolie van Rome waren de verwachtingen omtrent vernieuwingen te hoog gespannen. In plaats van Jezus terug te geven aan het volk sloten de hervormers een koehandel : het Romeinse monopolie over Christus werd van nu af aan verdeeld over een kartel van Kerken, ieder met haar eigen religieuze institutie, haar eigen credo, haar eigen sacramenten en haar eigen brandstapels. Christus, de Verlosser, bleef de gevangene van het kartel, om pas verlost aan het einde der tijden uit zijn goddelijke gevangenis, ons zijn verlossing te mogen brengen. Niet te verwonderen dat met een afwezige Jezus de Geest ook de Kerk verliet en het volk met zich mee nam.

Als je een gelovige vertelt dat je het verhaal van Jezus niet kan geloven, dat je het slechts figuurlijk kunt aannemen, dan krijg je te horen dat je naar je hart moet luisteren en je verstand moet laten varen. Maar je verstand laten varen, de rede opgeven, de goddelijke Logos in de wind slaan om er een dogmatische logos voor terug te krijgen? Daar geeft God ons niet ons verstand voor! Ons verstand zegt ons dat we het verhaal van Jezus niet letterlijk maar figuurlijk moeten interpreteren, en dat slechts als we dat doen het verhaal zin krijgt. De boodschap van het Evangelie is niet om nu een vroom leven te leiden en dan maar te hopen dat we, in het uur van onze dood, of na een lang vage vuur, hem zullen zien en dan samen met de andere vromen zielen voor eeuwig glorieuze liedjes kunnen zingen.

De boodschap van het Evangelie is een handleiding om God beter te leren kennen gedurende ons leven. Natuurlijk, als je de hemel uitlegt als een gebeuren na de dood, dan is die boodschap niet zo urgent. Maar als wij de boodschap van Jezus beschouwen als een instrument voor ons dagelijkse leven, dan komt die uitstekend van pas in de hachelijke situatie waarin de wereld zich nu bevindt. En deze uitleg, voor een hemel hier op aarde in plaats van een die eens zal moeten komen op een metafysisch niveau, is de enigste intelligente uitleg voor de huidige tijden. Het geloof namelijk houdt niet in dat wij dingen moeten aannemen waarvan ons verstand ons zegt dat zij onmogelijk zo kunnen zijn. Als de Logos ook een goddelijk attribuut is, dan moeten wij die gehoor geven! Dat betekent dat wij de allegorische waarde moeten inschatten van de Bijbelse verhalen.

De hemel, de gelukzaligheid, dat gevoel van innerlijke vrede dat zich van iemand meester maakt op het ogenblik van volkomen overgave aan de wereld, is inderdaad haast onbereikbaar voor de rijkaard, misschien ook wel na de dood, maar zeker hier op aarde. Al zijn rijkdommen beletten hem zich over te geven aan de andere, waarmee hij continu in contact komt, of aan het ogenblik, waar hij nooit tijd voor heeft. In de race voor de eerste plaats en de grootste prijs verliezen wij de vrede die hen ten beurt valt die niet in eer en vermogen hun heil zoeken, maar juist in zelflediging proberen zich te ontdoen van alles wat de ego opbouwt.

De hartstochtelijk gelovigen zullen vragen hoe het dan wel zit met de gerechtigheid van God?  Moeten al de zondenaren niet gestraft worden in het laatste oordeel? Als we dat laatste oordeel niet in de tijd beschouwen, maar eerder als een verzekering van rechtvaardigheid, als een onomstotelijk bewijs dat iedereen de consequenties van zijn daden in de lijve ondervindt, dan wordt dat laatste oordeel een stuk duidelijker. Er zijn mensen wier geweten onophoudelijk aan hen knaagt, terwijl anderen die het afsluiten van hun gevoelens pas op ogenblikken van grote geestelijke nood – misschien pas juist voor het sterven – rekening moeten geven. Die voor zichzelf, iets wat zij misschien hun leven lang niet gedaan hebben, schuld moeten bekennen. Op zulk een ogenblik kan iedere seconde een eeuwigheid duren. Zoals zekere elementen zich vormden in een triljoenste van een seconde na de Big Bang, zo kunnen een triljoen martelingen zich uitstrekken over een seconde van de stervende. En deze loutering wacht iedere mens op het ogenblik dat hij de geest geeft. Daar staat tegenover dat zij die hun naasten geen leed aandoen, hen echter met naastenliefde behandelen en zich voor hun naasten openstellen, dat deze mensen op het gegeven ogenblik met blijdschap rekenschap zullen geven. Maar dat betekent bovenal dat hun leven, hun relaties met de anderen hier en nu, verrijkend zijn en hen iedere keer weer meer genoegen zullen verschaffen dan de zoveelste aankoop van hedendaagse spiegeltjes en kraaltjes hun materialistisch aangelegde tijdgenoten kan geven.

De bezinning op Calvijns verjaardagsfeest komt te midden van een economische en wereldbeschouwelijke crisis. Om alle mensen werk te verschaffen moeten de motoren weer op volle toeren gaan draaien. Aan de andere kant is het noodzakelijk voor de overleving van de planeet dat we die motoren stoppen. We zitten met een enorm dilemma. In de New York Times vroeg Friedman zich af : “Waar is de man met de antwoorden?” Niemand diende zich aan. We modderen verder volgens het vertrouwde model. Friedmans roep om hulp van iemand met de gave om de hedendaagse plundereconomie te transformeren in iets duurzaams en nets, klonk als een roep in de woestijn. Maar die persoon waar Friedman naar uitkeek is er wel. Hij is opgeborgen, in de mottenballen, op de zolders van de christelijke kerken. Hij is degene die ons het model biedt, het enigste, waarmee wij nog een waardige en gelukkige toekomst voor de wereld kunnen voorzien. Zijn boodschap van liefde en zelfloochening gaat lijnrecht in tegen de alom gerespecteerde paradigmata van winst en zelfverheerlijking. Het is niet een boodschap die gemakkelijk te verkopen zal zijn. Maar gelukkig hebben de christelijke kerken over de laatste millennia een verkooptechniek ontwikkeld waar geen enkele institutie in de wereld mee kan ijveren. Het is tijd dat de dienaren van de kerk Jezus uit de mottenballen halen. Het is tijd dat zij ons de ware boodschap van het evangelie tonen : probeer de laatste te zijn, niet de eerste, en probeer iedere dag niet met meer, maar juist met minder bezittingen te leven. De rijkaard zal door het oog van een naald moeten kruipen om misschien in de hemel te komen, de minsten en de armsten zullen gelukzalig zijn. Hier en nu!

Frans Bronkhorst
fransbronkhorstbuller@gmail.com


Voor literatuur over en van Servet klik hier